Steun
Hoe goed ook ingelicht en voorgelicht, een patiënt kan het moeilijk hebben doordat er zo veel onzekerheden zijn. Angst en verdriet horen erbij. Goede hulpverlening houdt daar rekening mee. Men probeert te voorkomen dat de patiënt aan omstandigheden wordt blootgesteld die de onzekerheid vergroten en extra spanningen oproepen.
In het bijzonder voor patiënten die opgenomen zijn in een ziekenhuis of andere instelling is de omgeving waarin zij verblijven van belang. Denk aan een ziek kind en hoeveel prettiger het zich zal voelen in een ziekenkamer die `kindvriendelijk' is ingericht. Voor volwassenen is het al niet anders. Ook zij voelen zich minder ongemakkelijk in een omgeving die zij als veilig ervaren en net als bij kinderen nemen angsten en spanningen af wanneer zij de gezichten van ouders, vrienden en verzorgers zien en de dagelijkse gewoontes van thuis en hun vertrouwde contacten zo veel mogelijk kunnen handhaven.
Ook zou het in een ziekenhuis waar men probeert de patiënten te steunen zo moeten zijn, dat men hen beschermt tegen onprettige ervaringen. Het is heel schokkend om wanneer je zelf voor een operatie staat waar je tegen op ziet, geconfronteerd te worden met iemand die er net één achter de rug heeft, of wanneer je ernstige problemen van de patiënt in het bed naast je moet mee beleven.
Steun verdient een patiënt ook als het erom gaat het hoofd te bieden aan problemen, ongemakken en spanningen die door de behandeling zijn opgeroepen. Dat vraagt een actieve benadering van zowel de tandarts als de radiotherapeut, van zowel de psychiater als de verpleegkundige. Over angsten en spanningen kan gesproken worden en een goede hulpverlener gaat dat niet uit de weg, maar weet hoe hij de patiënt gerust kan stellen en kan bemoedigen. Hulpverleners in de volle zin van het woord staan patiënten zelfs bij als die ontevreden zijn; zij helpen hen hun vragen en klachten onder woorden te brengen en door te dringen tot de persoon of instantie die antwoord kan geven. Want als de onrust voortduurt en de klacht niet besproken wordt, kan van beterschap geen sprake zijn.
Op een gegeven moment komt het eind van de behandeling in zicht. Veel patiënten kunnen zonder noemenswaardige problemen verder. Maar anderen zijn minder valide geworden. Voor hen moet de moeilijkste tijd vaak nog komen. Hulpverleners dienen hen ook dan te steunen door te bevorderen dat zij straks zoveel mogelijk hun eigen problemen kunnen oplossen en hen, als het kan samen met hun naasten en verzorgers, voor te bereiden op die problemen.
Van hulpverleners wordt verwacht dat zij zich ook buiten het ziekenhuis of de polikliniek bezighouden met het vragen van aandacht voor het belang van patiënten die zich in sommige opzichten niet met gezonde mensen kunnen meten, maar juist daarom een extra handreiking nodig hebben -- al is het maar om met het openbaar vervoer te kunnen reizen of op een aangepaste werkplek een zinvolle taak te kunnen verrichten.